Geschiedenis van de Franse Bulldog

DE FRANSE BULLDOG

Als er een hond is, die terecht bij de dogachtigen thuis hoort, dan is het wel de Franse Bulldog.
Met zijn atletische bouw en gespierde, brede borstkas straalt hij moed en vastberadenheid uit, doch ook trouw en vriendschap.
De kleine Fransoos had niet beter beschreven kunnen worden dan in het onderstaande gedicht, opgetekend door de heer J.J. Fris:

Jij kleine hond
Met heel groot oog
Dat spreekt en tevens luistert;
Jij kleine hond,
Met heel groot oor,
Dat hoort, wat men ook fluistert.

Jij brokje spier,
Dat nijdig trilt
Wanneer je wilt gaan vechten;
Jij luide kef
Die snerpend gilt
Komt iemand aan jouw rechten

Je borst is breed,
Je rug is kort,
Jij laat je niet kleineren;
Jij hebt
Een hondenhart van goud
Dat elkeen moet waarderen.

De geschiedenis van het ras.

Over de juiste ontwikkeling van het ras is, in tegenstelling tot de meeste andere rassen, weinig met zekerheid te zeggen.
De meeste geschiedschrijvers zij het er wel over eens dat de Engelse Bulldog een belangrijke rol moet hebben gespeeld bij het ontstaan van het ras, getuige hun lezingen.
Toen rond 1820 de hondengevechten in populariteit inboetten en men de Bulldog meer als huishond ging houden, werden deeze honden gekruist met kleinere rassen, vermoedelijk terriers, waardoor een kleiner type ontstond, dat zich gemakkelijk liet houden in de kleinere arbeiderswoningen van de kantwerkers in de streek van Nottingham; deze honden werden  Toy-Bulldogs  genoemd; zij hadden tiporen.
Toen deze arbeiders, gedwongen door een grote crisis in hun industrietak, zich in Frankrijk gingen vestigen, speciaal in de streek rondom Calais, namen zij deze Toy-Bulldogs met zich mee.
Door verder te selecteren en te kruisen met terriers, zou het staande oor zijn ontstaan.
Deze honden werden weer naar Engeland ingevoerd, waar ze zeer gewaardeerd en door de Kennelclubs als Franse Bulldog erkend werden.
Een andere mening, ondersteund door Paul Megnin, een beroemde hondenkenner uit het begin van de twintigste eeuw, is het volgende:
Er zijn altijd in Parijs, speciaal in Parijs bij de slagers, die gevestigd waren bij de hallen, doggen geweest.
Rond 1870 zijn deze doggen vervangen door Terriers-Boules (niet te verwarren met de Bullterriers). Het waren kleine, korte honden, goed gespierd, met gecoupeerde oren en staart; het hoofd vertoonde reeds de trekken van de huidige Franse Bulldog. Deze honden werden gebruikt als rattenvangers.
Door kruisingen met voornoemde Toy-Bulldogs en mogelijk ook de Mopshonden, zou langzamerhand in Parijs rond 1870 de Franse Bulldog zijn ontstaan.
Volgens oud-gedienden als Lecomte en Riant is het waarschijnlijker dat de oorspronkelijke typen, van een kant de Engelse import en van de andere kant hun kruising met de oude, kleine buldoggen van eenvoudige handelaren, vermengd zijn geworden. Zij wijzen inkruising met de Mopshond van de hand.
Tenslotte beweert de Engelsman Krel, dat de Franse Bulldog in rechte lijn afstamt van de  Dog de Burgos .

De ontwikkeling

De liefhebbers/fokkers van het ras vond men in eerste instantie in de volksbuurten van Parijs. Het waren gewone mensen van bescheiden komaf, die hun fokproducten in kleine cafeetjes kwamen vergelijken en ervaringen uitwisselden.
Rond 1880 ging met steeds meer moeite doen om het totaalbeeld te perfectioneren. Er werd een vereniging opgericht, waarvan Charles Roger voorzitter werd. Deze vereniging telde 47 leden.
De eerste standaard werd opgesteld in 1888 en de belangstelling van het publiek nam grotere vormen aan.
Waren het eerst de dames van lichte zeden en de bazen van bordelen, die deze honden aanschaften vanwege hun bijzondere voorkomen, later, toen ze eindelijk op tentoonstellingen werden toegelaten, was het ook de burgerij en de adel, die op hun beurt in de ban van onze vrolijke Fransoosjes geraakten.
Op Monmartre vergezelde hij de vrolijke vrouwtjes, maar ook zag men hem in de koetsjes tronen, die door het Bois de Boulogne of op de Champs Elys�es reden.
Het werden de gezelschapsdieren van de toekomstige Koning Edward VII, toen Prins van Wales, van Colette, van Mistinguette, en zelfs van enkele Groothertogen aan het Russische Hof.
Vanaf 1888 kwam hij echt in de mode en speciaal de Engelsen en Amerikanen toonden bijzondere belangstelling en de ontwikkeling ging hierdoor erg snel. Een van de beste Parijse fokhonden was  Rabot de Beaubourg ; hij vererfde de vleermuisoren door aan zijn nakomelingen.
Het duurde echter nog tot 1898 voordat het ras officieel erkend werd, zeker ook door toedoen van Baron Carayon de la Tour, een van de eerste aristocraten die een Franse Bulldog bezat en er zich publiekelijk mee vertoonde.
Ook Gordon Benett, een Amerikaan, die tevens voorzitter was van de Franse Bulldogclub in Frankrijk en zeer erkend werd om zijn talent, heeft een grote bijdrage geleverd.

De vooruitgang.

Waren het in eerste instantie de Fransen en de Engelsen, die tot de schepping van de Franse Bulldog zijn gekomen, het is zeker dat de vervolmaking nadien door internationale samenwerking is geschied.
De Amerikanen, waarbij geld geen rol speelde, kochten de goede exemplaren in Frankrijk op.
Het was Mr. Harrison, die de eerste exemplaren in Amerika importeerde.
Geimponeerd door het ras en de gedrevenheid om deze honden in Amerika nog verder de perfectioneren, keerde Mr. Harrison in gezelschap van George Phelps uit Philadelphia terug naar Frankrijk en wisten daar tegen hoge bedragen de tophonden op te kopen.
In Amerika bloeide de fok van de Franse Bulldog op tot bijzondere hoogte en rond 1925 waren dan ook de mooiste exemplaren te zien in Amerika.
Rond 1920 kwam de ontwikkeling in Engeland ook weer goed op gang en na de oorlogscrisis importeerden zij enkele goede nakomelingen van Nellcote Gamin uit Amerika en konden zo weer een goede basis opbouwen.
Engeland staat dan ook na de 2e Wereldoorlog zeer hoog aangeschreven in de wederopbouw van het ras.
In Duitsland was het de hr.Hartenstein, die de eerste bulletjes vanuit Frankrijk meenam naar zijn vaderland.
Ook hier werd in 1913 een club gesticht, die het belang van het ras zou gaan behartigen. Dit werd de I.K.B.F. (Internationale Klub fur Franzosische Bulldoggen) en droeg dan ook een internationaal karakter. Het bestuur bestond uit de hr.Hartenstein (Duitsland), M nans de Corre (Frankrijk), de concertmeester Lagrange (ook een aanhanger van het ras) en mevr. Sacher en mevr. Muller uit Oostenrijk.
Thans draagt de club in Duitsland nog dezelfde naam, echter het  internationale karakter ervan is verdwenen. De na-oorloogse periode geeft ook hier weer een opbloei te zien. Zeer bekend en ook belangrijk voor ons land zijn de  v.d.Grimmelsburg-honden en de honden uit de  Von Ratibor und Corvey-kennel geweest.
Deze honden hebben, samen met de Engelse importen en de Nederlandse fokproducten, het bestand in ons land tot grote hoogte gebracht.
Men komt ze heden ten dage nog op vele stambomen in ons land tegen.

Ons land was echter ook onder de indruk van het ras gekomen rond de eeuwwisseling. De eerste Franse Bulldog op een tentoonstelling in ons land was in 1907.
Het was een teefje, genaamd  Negresse en gefokt door een zekere heer Desplasse. Zij werd gekeurd door Graaf v.Bijlandt en haar eigenaar was de hr. A.Outshoorn uit Antwerpen
Een jaar later waren op de tentoonstelling te Amsterdam 4 exemplaren te bezichtigen. Voor zover bekend heeft de heer van Enthoven het eerste nestje Franse Bulldoggen in ons land gefokt  in 1908. In 1912 waren er in ons land 12 Franse Bulldoggen te bewonderen.
Men had toen nog twee varieteiten, namelijk de Franse Bulldog en de Franse Dwergbulldog. Deze twee varieteiten stonden apart ingeschreven in het N.H.S.B., doch werden als een ras tegelijk gekeurd.
Het zou echter tot na de 1e Wereldoorlog duren voordat de fokkerij in ons land in bredere vorm van de grond zou komen.
In 1917 werden 3 reutjes en 1 teefje uit Engeland geimporteerd door Mevr. v.d.Linden uit Rotterdam, terwijl in datzelfde jaar 1 teefje uit Duitsland werd geimporteerd door mej.Schuld uit  s-Gravenhage, waar in 1914 drie teefjes het levenslicht zagen, doch pas in 1917 werden ingeschreven in het N.H.S.B.
Meer importen volgden. In het N.H.S.B. van 1929 werd kond gedaan van 2 Franse Bulldoggen, die sinds 1918 hun kampioenschap behaald hadden; het waren Charlotte of Birmingham en Guilford Topper.
U ziet het, importen uit Engeland.
Toch had ons land in die tijd al 3 keurmeesters tot zijn beschikking.
Het waren de heren van Enthoven, Schuld en v.d.Hulst.
Er werden in dat jaar 22 reuen en 24 teven in het N.H.S.B. bijgeschreven.
Bekende namen van mensen, die zich in die tijd met de fokkerij bezig hielden zijn: mevr. Hulsman, mevr. Frowein-Gratema, mevr. Jonker-Floeser, mevr. De Wit-Kranz en mevr. Bontekoe-Hylkema, zo te zien wel een damesaangelegenheid in die jaren. Een zeer mooie foto van 2 prachtige teefjes, eigenaar: mevr. Bontekoe-Hylkema, staat afgedrukt in het N.H.S.B. uit 1929.
Het waren haar eigen gefokte Bibi�s Mussolini en Bella v.Konigswinter, gefokt door mevr. De Wit-Kranz.
Van deze twee dames is mij bekend dat zij het ras altijd trouw zijn gebleven en ook nooit, zelfs tot op hun oude dag, zonder bulletje door het leven zijn gegaan.
De 2e Wereldoorlog zorgde er voor dat de fokkerij nagenoeg tot stilstand kwam.
In 1944 kwamen weer nieuwe kennelnamen naar voren, o.a.  Cillys kennel van de fam. Teenstra te Leek en  v. Vredelust, wat voor die  tijd een zeer gepaste naam was, van mevr. Adriaansen te  s-Gravenhage.
En ja hoor, ook de oud-gedienden doken weer op:  v.Konigswinter van mevr. De Wit-Kranz en  Bibis-kennel van mevr. Bontekoe-Hylkema.
In deze na-oorlogse tijd werden diverse honden uit Duitsland en Engeland geimporteerd. Vele fokkers kwamen er bij en namen het werk van hun voorgangers over.

Het is niet mijn bedoeling u te overstelpen met namen van kennels of personen, maar ik meen dat wij deze mensen, die na de oorlog de draad weer opgepakt hebben, dank verschuldigd zijn, omdat zij het waren die het bestand van het ras tot een acceptabele basis maakten en zodoende de huidige fokkers de gelegenheid boden om het ras verder uit te bouwen.
Nederland staat dan ook niet voor niets op dit moment als de top aangeschreven in de Franse Bulldoggenwereld.

Het karakter

Nu de welwillende lezer iets meer te weten is gekomen over het ontstaan en de vooruitgang van het ras, is het nu zaak om iets over het karakter van deze kleine bolleboos te vertellen.

In haar boek:  De Franse Bulldog schreef Gravin de Comminges in 1933:
 Het is niet alleen de moedigste hond, maar zonder meer het moedigste dier.
Vergis u echter niet, achter zijn schijnbare onverschilligheid verbergt zich een zachtmoedig wezen, dat veel liefde vraagt om geheel tot ontwikkeling te komen. U kunt hier wel uit opmaken dat deze adellijke dame wel heel erg bezeten moet zijn geweest van het ras.
Uitspraken als  eens een Bulldog, altijd een Bulldog of  die eens het genoegen heeft gesmaakt om de liefde van een Fransoos te mogen ontvangen zal moeilijk een ander ras tot het zijne maken, zijn niet vreemd.
Met zijn grootmoedig en toch zachte karakter, zijn trouwe blik en zijn onstuimige vrolijke enthousiasme heeft hij iets dat moeilijk  met woorden is te omschrijven. Het is een zeer levendige, gezellige huishond, lief in de omgang met kinderen en mensen; daardoor zal hij dan ook snel een ieders hart winnen.
Hij is trouw, intelligent en rustig van aard. Als hij eenmaal uw hart gewonnen heeft, zal hij niet van uw zijde wijken en zijn best blijven doen om zijn aanhankelijkheid te betuigen.
Zijn intelligentie  moge blijken uit het feit dat hij zeer gevoelig is voor stemmingen; heeft u verdriet, dan deelt hij dat, heeft u vreugde, dan geeft hij blijk om dit met u mee te beleven.
Een hard woord is voldoende om hem een beledigde houding te laten aannemen, doch een vrolijke toon en zijn olijke enthousiasme barst weer los.
Het is dan wel een kleine hond, maar hij heeft toch karaktertrekken van zijn grotere dogachtige broeders, met name wil dat zeggen dat hij nergens bang voor is en een zekere dominantie vertoont ten aanzien van andere honden.
Hij ziet er, volgens sommige mensen die het ras niet kennen, gevaarlijk uit, doch is dat totaal niet. Hij is een clown in het gewaad van een filosoof. Hij is zeer aanhankelijk, staat graag in de belangstelling en vraagt daardoor veel aandacht. Hij is zeer betrouwbaar. Hij kan goed springen en lopen en is door zijn stevige bouw en bottengestel een sterke hond.
Door zijn onstuimigheid in het spel komt hij wel eens wild over, maar hij kan ook rustig bij zijn huisgenoten liggen te snurken, hetgeen een uiting is van een voldaan en gelukkig gevoel.
Door zijn intelligentie is hij zeer nieuwsgierig van aard, niets ontgaat hem en hij gaat dan ook graag op onderzoek uit.
Hij is zeer eigenwijs en heeft dan ook zeer zeker een eigen willetje.
Zijn doorzettingsvermogen kent geen grenzen.
Kortom, als men zo een karaktervol wezen, dat niets vreemd is, om zich heen heeft, dan is er geen uitweg mogelijk:

VAN EEN FRANSE BULLDOG MOET MEN WEL HOUDEN.